Liftinstituut-workshop geeft inzicht in WSCS

Zo’n honderd deelnemers uit de liftenbranche waren op 29 november 2012 aanwezig bij de Liftinstituut-workshop ‘Gevolgen invoering WSCS’. Zij lieten zich door verschillende sprekers informeren over de laatste stand van zaken rond door de overheid ingevoerde werkveldspecifieke certificatieschema (WSCS) voor liften. Ook konden zij vragen stellen aan deskundigen op dit gebied. Een impressie.

Marco Waagmeester, directeur Inspectie Nederland van het Liftinstituut, opende de bijeenkomst. Daarbij lichtte hij ook toe waaróm deze workshop werd georganiseerd en waarom het Liftinstituut deze vanuit de overheid geïnitieerde regels niet alleen zelf gaat toepassen maar de kennis hierover ook deelt met de branche. “Het Liftinstituut doet dit vanuit haar maatschappelijke verantwoordelijkheid en wil graag als kenniscentrum kennis uitwisselen met de branche. Ook wil het Liftinstituut op deze manier haar netwerkfunctie invullen, door de verschillende partijen in de branche en de daar aanwezige praktijkervaring en kennis bij elkaar te brengen.’’

Een betere afstemming en meer consistentie

Chris Rentier, in het dagelijks leven werkzaam als adviseur transportinstallaties bij de Rijksgebouwendienst, maar nu aanwezig in zijn hoedanigheid als voorzitter van de commissie WSCS binnen het College van Deskundigen-Liften (CCvD-L) trad op als eerste spreker. Hij lichtte toe dat het WSCS onderdeel is van de stelselwijziging certificatie arbeidsomstandigheden, net als de al eerder verschenen documenten voor aanwijzing van en toezicht op keuringsinstanties (de WDA&T’s). “De ‘W’ in WSCS staat in dit geval voor het ‘werkveld’ keuren van liften’’, zo gaf hij aan. “Het WSCS bevat daarom een aantal basiselementen voor het keuren van liften, waarbij de keuringsinstanties de mogelijkheid hebben om aanvullende diensten aan te bieden. Het WSCS is dus niets anders dan het vastleggen van de keuringsmethode voor keuringsinstanties. We hopen dat liften hierdoor objectiever zullen worden beoordeeld en dat er een betere afstemming bij en meer consistentie in het beoordelen van de veiligheid van liftinstallaties zal ontstaan. Want nu komt het nog wel eens voor dat de ene keuringsinstantie een lift goedkeurt, terwijl de andere deze zou afkeuren. Zonder dat hiervoor een redelijke verklaring is. Dat willen we in de toekomst zoveel mogelijk voorkomen.’’

Wettelijke status

Rentier schetste vervolgens een beeld van de verschillende betrokken partijen bij keuringen van liften en de wet- en regelgeving waarbinnen het WSCS valt. Hij benadrukte daarbij dat het WSCS onderdeel uitmaakt van een ministeriële regeling. “Dit schema heeft dus een wettelijke status en is dus ook een toetsingskader of de betrokken partijen in overeenstemming handelen met de wet, of in overtreding zijn.’’ Die partijen zijn de eigenaar van de lift, de keuringsinstelling, de Inspectie Sociale Zaken & Werkgelegenheid (ISZW) en (bij brandweerliften) de brandweer. Ook noemde hij de Raad voor Accreditatie (RvA) als toetsende instantie van de keuringsinstellingen. Wat het wettelijk kader betreft, verwees hij naar de Europese Richtlijn liften, het Nederlandse Warenwetbesluit Liften en de eveneens Nederlandse Warenwetregeling liften.

Rol van het CCvD-L

Een belangrijke rol bij de totstandkoming van het WSCS speelde het CCvD-L, dat weer valt onder de SBCL (de Stichting Beheer Certificatie Liften). Rentier: “Inmiddels heeft dit college twee WDA&T’s en het WSCS afgerond. Een hele klus, maar wel van groot belang.’’ Daarnaast geeft dit college regelmatig bindende adviezen af over zaken waarover binnen de wetgeving onvoldoende helderheid is. “Om ook op die manier ervoor te zorgen dat keuringsinstanties op dezelfde manier naar zaken kijken.’’ Op de vraag waarom besluiten die zijn genomen binnen het CCvD-L altijd eerst nog moeten worden voorgelegd aan het ministerie van SZW, was het antwoord: “Omdat het hier gaat om zaken die invloed hebben op de wet- en regelgeving, moet de overheid deze altijd formeel ‘aftikken’. Of samengevat, het CCvD-L stelt voor en SZW stelt vast.’’

Definitieve ingangstermijn 1 maart 2013

John van Vliet en Willem Kasteleijn, respectievelijk technisch directeur en productmanager Liften bij het Liftinstituut, gingen daarna in op wat er inhoudelijk bij het WSCS komt kijken. Het Liftinstituut moet zelf ook invulling geven aan deze nieuwe wetgeving en wil de inmiddels hierover opgebouwde kennis niet alleen voor zichzelf behouden maar delen met de branche. De ‘highlights’ van de zaken die zij hierbij toelichtten, vindt u terug in het artikel ‘Belangrijkste veranderingen door het WSCS’, elders in dit blad. Van Vliet gaf in zijn presentatie ook een toelichting op de WDA&T’s die ten grondslag liggen aan het WSCS. “Deze zijn gesplitst in een WDA&T voor de handelsfase en één voor de gebruiksfase en vervangen per 1 maart 2013 respectievelijk het RISAS (Richtlijn Specifiek Accreditatieschema) en het WESAS (Wetgeving Specifiek Accreditatieschema). Die datum is ook de uiterste ingangsdatum voor het uitvoeren van het keuringsproces volgens het WSCS. “Dit kan al sinds 1 oktober 2012, maar er is een overgangstermijn van vijf maanden. Per 1 maart 2013 worden de WDA&T’s en het WSCS dus definitief van kracht.’’ Hij benadrukte dat deze documenten niet ‘statisch’ zijn: “Er is viermaal per jaar een aanpassing van mogelijk. Wel moet de aanpassing vier maanden vóór de beoogde publicatiedatum bij het ministerie van SZW zijn ingediend.’’ Ten slotte gaf hij een toelichting op de nieuwe eisen die per 1 maart a.s. aan keuringsinstanties worden gesteld.

Keuringen onder het WSCS

Kasteleijn ging in op de indeling van keuringen binnen het WSCS. “Het gaat daarbij om de ingebruiknamekeuring van een lift in gebruik tijdens de bouw van het gebouw, de periodieke keuring van de lift in gebruik tijdens de bouw van het gebouw, de opleveringscontrole bij beëindiging van het bouwgebruik van de lift en de periodieke keuring van de lift in de periode daarna. Daarnaast zijn er meer specifieke keuringen: de periodieke keuring van de brandweerlift en modificatiekeuringen. Bij al deze keuringen geldt dat gewerkt moet worden volgens een in het WSCS gedefinieerde inspectiepuntenlijst, die per type lift kan variëren.” Kasteleijn benadrukte daarbij dat deze inspectiepuntenlijst vooral een aandachtspunt voor de certificerende instellingen is en geen gedetailleerde checklist. “Zij kunnen deze zelf nog verder aanvullen.’’ Vooral bij de keuringen van bouwliften, brandweerliften en modificatiekeuringen is sprake van veranderingen, zo bleek. Maar hierover leest u dus in het andere artikel meer.

Urgentiecodes

Ten slotte vertelde Kasteleijn over de drie urgentiecodes die binnen het WSCS worden gehanteerd voor de weging van constateringen die gedaan worden door keuringsinstanties bij periodieke keuringen. Om de keuze te maken voor goed- of afkeur. Hij benadrukte daarbij dat het ook bij deze codes om richtlijnen gaat. “De keuringsinstantie heeft de bevoegdheid om, afhankelijk van de ernst van de tekortkoming en omstandigheden ter plaatse, van de urgentiecode af te wijken.’’ Wel kwam tijdens de bijeenkomst naar voren dat met het WSCS in de regel strenger naar installaties zal worden gekeken dan in het verleden. “In de praktijk zou dit ertoe kunnen leiden dat een lift eerder wordt afgekeurd.’’

Handhaving

Ter afsluiting van de presentaties ging John van Vliet in op de handhaving van keuringen door de Inspectie SZW (voorheen de Arbeidsinspectie). “In de periode 1 januari 2009 t/m 31 december 2011 heeft de inspectie 700 liften geïnspecteerd die volgens de gegevens van de keuringsinstanties niet waren voorzien van een geldig certificaat van goedkeuring en die gebreken hadden die ernstig gevaar opleverden. Ook zijn honderd liften geïnspecteerd die niet eerder voor een keuring waren aangemeld. Op 60% van de geïnspecteerde locaties hadden de liften inderdaad nog steeds geen geldig certificaat en was in twee gevallen sprake van een zeer ernstige situatie, waarbij de liften meteen zijn verzegeld’’, zo gaf hij aan. Uit een analyse van de Inspectie SZW naar de oorzaken voor het ontbreken van een certificaat, bleek dat eigenaren zich er niet altijd van bewust zijn dat zij zélf verantwoordelijk zijn voor (her)keuringen van bij hen in bezit zijnde liften en hier ook aansprakelijk voor worden gesteld. “Ook hierbij geldt dus dat de bewustwording moet worden vergroot.” Van Vliet meldde in dit kader dat over dit onderwerp binnenkort een brochure van de Inspectie SZW verschijnt, waarin de verplichtingen van lifteigenaren, de rol van de keuringsinstellingen, de rol van de Inspectie SZW en de consequenties van het ontbreken van een geldig certificaat worden toegelicht. Voor wie interesse heeft in deze publicatie van de Inspectie SZW over het onderzoek: deze is te vinden via de link http://www.inspectieszw.nl/Images/factsheet%20Liften_tcm335-334498.pdf.

Vragen

Hoewel de presentaties veel duidelijkheid gaven, bleef er nog wel een aantal vragen over. Zo werd bijvoorbeeld gevraagd of er nog zaken aan het WSCS zijn toegevoegd ten opzichte van de Europese Richtlijn liften en de geldende normen. Rentier antwoordde hierop dat dit zoveel mogelijk is voorkomen: “We willen zaken niet overreguleren.’’ Een andere vraag was of het WSCS nu ook zorgt voor een centrale registratie van liften. Maar dat is niet het geval. “Er is wel over gesproken in de voorbereidende WSCS-commissie, maar niet iedereen zag het nut hiervan in.’’ Ook kwam de vraag naar voren hoe de eindverantwoordelijkheid van de eigenaar voor de lift zich verhoudt tot het aanmelden van de lift voor een keuring door de installateur bij de keuringsinstanties. Aangegeven werd dat, onafhankelijk van wie de lift voor keuring aanmeldt, blijft gelden dat de eigenaar eindverantwoordelijk is voor de in zijn bezit zijnde liften. En dat ook híj geacht wordt de wet- en regelgeving rond liften te kennen. Daarnaast waren er specifieke vragen over brandweerliften, bijvoorbeeld over wie bepaalt wat een brandweerlift is en wie de uitvoering van een keuring aan zo’n lift bepaalt. Hierbij werd aangeven dat hierover het beste contact kan worden opgenomen met de lokale brandweer of de gemeente in kwestie en dat hierover ook het een en ander vermeld staat in het Bouwbesluit. “In dit besluit staan ook de bouwkundige eisen voor zo’n lift beschreven.’’

Bewustwording toegenomen

Marco Waagmeester concludeerde bij de afsluiting dat de bewustwording over het WSCS bij de aanwezigen behoorlijk was toegenomen. Hij kon zich echter voorstellen dat er toch nog behoefte aan extra informatie bestaat. “Aarzelt u dan niet om contact op te nemen met het Liftinstituut of met de leden van het CCvD-L.’’ Ten slotte gaf hij aan dat de meeste Nederlanders ervan uit gaat dat een lift veilig is. Het garanderen dat dit in de praktijk inderdaad zo is, is voor ons allen een zware verantwoordelijkheid. Ik heb er goede hoop op dat deze workshop eraan heeft bijgedragen om de bewustwording van deze verantwoordelijkheid te vergroten.’’

Reacties van deelnemers

Tijdens de bijeenkomst werd een aantal deelnemers om een reactie gevraagd. Over het algemeen vindt men het WSCS een goede verbetering. “Het moet geen probleem zijn om ons hierop tijdig voor te bereiden.’’ Een apart certificaat bij moderniseringskeuringen wordt ook als positief ervaren. Wel wordt aangegeven dat de liftenfirma’s er nog even mee wachten om hun klanten te informeren over de consequenties van het WSCS. “We moeten eerst weten hoe de overgang gaat plaatsvinden.’’ Door Kasteleijn werd op de laatste opmerking gereageerd met: “Het Liftinstituut zal hier zo snel mogelijk mee starten, maar sommige zaken vergen wat meer tijd. We zullen iedereen van de voortgang op de hoogte houden.’’

Overgangstermijn geldt ook voor toetsing

Tijdens de bijeenkomst bleek dat er wat onduidelijkheid bestond over het op dit moment al toetsen van de RvA op basis van het WSCS (zie ook het vermelde hierover in het voorwoord van dit magazine). Benadrukt werd hierbij door Robert Beuker, directeur van de SBCL, dat de overgangstermijn er niet voor niets is. “Keuringsinstanties moeten de tijd krijgen om zich ‘rustig’ voor te bereiden op de nieuwe inrichting van hun keuringsproces en kunnen daarom niet al tussentijds op de WSCS-criteria getoetst worden’’, zo stelde hij. Een aantal keuringsinstanties moet daarnaast ook nog door de RvA worden geaccrediteerd om WSCS-inspecties uit te voeren. Voor het afronden van deze aanwijzing hebben zij tot 1 oktober 2014 de tijd. Op de vraag wie de RvA zélf controleert, werd aangegeven dat er regelmatig zogenaamde ‘peer to peer’-reviews plaatsvinden, waarbij de verschillende Europese ‘RvA’s’ elkaar toetsen. Ook dat is dus goed geregeld.

WSCS voor beroepsmatig personenvervoer per 1 januari 2013 van kracht

Er is ook een wettelijke keuringsplicht voor beroepsmatig personenvervoer. Net als bij personenliften is hiervoor ook een verplicht certificatieschema ontwikkeld. Dit schema is in beheer bij de stichting Toezicht Certificatie Verticaal Transport (TCVT). Het schema is door de keurende instanties (waaronder het Liftinstituut) ontwikkeld, door werkkamer 8 geaccordeerd en aan de wetgever ter goedkeuring voorgelegd. Deze heeft het schema inmiddels bekrachtigd en gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2013 gaat dit schema in werking, met een overgangstermijn van vijf maanden. Vóór 1 juni 2013 mag dit al toegepast worden. Na 1 juni 2013 is toepassing verplicht.

Voor welke installaties?

Omdat voor de markt niet altijd duidelijkheid is welke installaties hiermee bedoeld worden, melden we ze hier even. Het betreft personenbouwliften, transportsteigers en tijdelijke liften bij een gebouw. Een gevelonderhoudinstallatie of hoogwerker valt hier, bijvoorbeeld, niet onder. Dit zijn arbeidsmiddelen en geen installaties voor personenvervoer.