Workshop ‘liftbeveiligingtrends in Nederland’ waardevol

Mensen in lift

Liftbeveiliging is regelmatig onderwerp van gesprek: veiligheid van oudere bestaande liften, onafhankelijkheid van keuringsinstanties en eisen te stellen aan spreek-/luisterverbindingen zijn een paar voorbeelden hiervan. Elseco, toeleverancier van liftapparatuur nodigde liftadviseurs uit om hierover met elkaar eens van gedachten te wisselen.

In toenemende mate laat de lifteigenaar zich bijstaan door een adviseur. Om die reden leek het Elseco een goed idee om liftadviseurs op 13 oktober 2011 bij elkaar te brengen en met hen te spreken over liftveiligheid rondom een aantal lezingen. Deze werden verzorgd door het Liftinstituut, de SBCL (Stichting Beheer Certificatie Liften), de ELA (European Lift Association), en gebouweigenaar woningcorporatie De Alliantie. Het was eigenlijk de bedoeling om te komen tot aanbevelingen voor veiligheidsverbeteringen, maar dat kwam er niet echt uit. Met name omdat de adviseurs van mening waren dat het eigenlijk wel goed zit met liftveiligheid in Nederland. Na een uitleg van het Liftinstituut over zorgplicht en goed huisvaderschap, in relatie tot de wettelijke eisen en optioneel beschikbare normen, was het de beurt aan de SBCL om te vertellen over het beheer van certificatieschema’s en documenten voor aanwijzing en toezicht van keuringsinstanties, de belangrijkste taak van de SBCL.

Evenredige vertegenwoordiging

Robert Beuker, directeur SBCL, begon zijn betoog met de opmerking dat 4% van de liften in Nederland niet geregistreerd wordt en dus ook niet wordt gekeurd. Hij hoopt dat er een goed systeem voor registratie komt waardoor alsnog alle liften in beeld komen. Beuker was blij aan een belangrijke groep in de liftenwereld wat achtergronden te kunnen geven over de taken van de SBCL. Bijvoorbeeld over het CCvD-L (Centraal College van Deskundigen-Liften), dat bij interpretatieverschillen van normen komt tot bindende adviezen. De evenredige vertegenwoordiging van alle partijen in het CCvD-L is daarom belangrijk. Met name de inbreng van de eigenaar in dit college zou sterker kunnen. De eigenaar is degene die uiteindelijk verantwoordelijk is en die de veiligheidsrekening betaalt. Adviesbureaus zouden daar een rol bij kunnen spelen, zo kwam naar voren. Deze zijn inhoudelijk deskundig en werken voor de eigenaar. Beuker gaf aan dat dit zou kunnen, mits de SBCL-statuten hierop aangepast worden. Hij sloot af met de opmerking dat de documenten voor aanwijzing en toezicht en de certificatieschema’s behorend bij het van kracht geworden nieuwe stelsel voor certificatie binnenkort op de SBCL-site (www.sbcl.nl) geplaatst zullen worden. In dit kader kwam de risicocategorie 3 van de V.O.K. (Veiligheid bij Onderhoud en Keuring)-lijst nog even ter sprake. De zaal vroeg zich af of het realiseren hiervan overal nog wel haalbaar is. Het gaat immers vaak over ingrijpende aanpassingen van, bijvoorbeeld, toegangen naar machinekamers.

Onafhankelijkheid keuringsinstanties

Ook de onafhankelijkheid van de keuringsinstanties kwam nog even naar voren. Beuker gaf aan dat dit ook binnen het CCvD-L aan de orde is. “Wij komen er niet uit, omdat de CI’s (certificerende instanties) hier verdeeld over zijn. De RvA (Raad voor Accreditatie) houdt toezicht op onafhankelijkheid.’’ Zelf was Beuker ervan overtuigd dat de CI’s integer zijn naar elke opdrachtgever. “Of dit nu een liftbedrijf of een lifteigenaar is.’’ Alderik Bos, directeur van Liftintermediair, reageerde daarop met de opmerking dat eenvoudige economische regels gaan gelden als een keuringsinstelling voor meer dan 50% van zijn opdrachten afhankelijk is van één opdrachtgever. “Dan is er simpelweg geen sprake meer van onafhankelijkheid.”

Meer aandacht voor toegankelijkheid

ELA-secretaris-generaal Luc Rivet was vanuit Brussel naar Voorthuizen afgereisd om te pleiten voor het verbeteren van de veiligheid van bestaande liften. Hij vertelde dat de helft van de liften wereldwijd in Europa staat en dat in China jaarlijks meer liften worden geïnstalleerd dan in Europa. Hij gaf ook aan dat het jammer was dat in Nederland de SNEL-norm (Safety Norm Existing Lifts) nog niet wettelijk geïmplementeerd is. “Nederland kan niet achterblijven”, aldus Rivet. Dit leverde tamelijk heftige reacties op uit de zaal. Eigenlijk was iedereen van mening dat het zo slecht nog niet gesteld is met liftveiligheid in Nederland. Wel was er begrip voor de wens vanuit de ELA om bij moderniseringen de liften beter toegankelijk te maken voor mindervaliden. “Combineer toegankelijkheid met veiligheid en duurzaamheid bij renovaties”, zo stelde Rivet.

Leg de lat niet te hoog

“Wij willen de lat bij onze woningen niet te hoog leggen”, benadrukte drs. Alfred van den Bosch, directeur vastgoed & advies bij woningbouwcorporatie De Alliantie. “Wij bouwen en beheren voor lage en middeninkomens. Dus het moet wel betaalbaar blijven allemaal. Wij streven naar schaalverkleining waar het gaat om contact met de buurt en naar schaalvergroting waar het gaat om vastgoedbeheer. Bundeling van activiteiten en verhoging van efficiency moet ervoor zorgen dat we met minder mensen een kostenreductie van 25% realiseren. De financiële impact van liften is klein, maar het afbreukrisico naar de klant is groot. De lift moet het gewoon doen.” Van den Bosch plaatste wel de kanttekening dat door de schaalvergroting het in huis hebben van eigen deskundigheid weer in beeld komt. “De adviesbureaus moeten daarop inspelen. Nu is het moeilijk om de prestaties in de samenwerking te definiëren. Uit een advies komt ook weer werk voor de adviseur voort en kan dat wel? Ook blijkt het in de praktijk moeilijk te zijn van adviseur te wisselen. Doordat we beperkt zijn in kennis. Veel wordt bepaald door techneuten die willen scoren, maar dat wordt voor ons als eigenaar te duur.’’

Ontzorgen

Van den Bosch gaf daarnaast aan dat de gebouweigenaar verantwoordelijk is voor goed huisvaderschap. “Wij zijn generalisten. De toeleveranciers moeten hun verantwoordelijkheid nemen, adviseurs en fabrikanten, en wij moeten als eigenaren de juridische kaders bepalen. Toch gaat dat mooie woord ‘ontzorgen’ ons te ver.’’ Hierop kwam vanuit de zaal de reactie dat het voor woningcorporaties moeilijk is doelstellingen te formuleren op basis waarvan de adviseur gericht aan de slag kan. Van den Bosch erkende dat, maar gaf aan dat dit goed komt door bundeling van krachten binnen corporaties en door verdere professionalisering. ”De uitvoeringsverantwoordelijkheid ligt bij de corporatie; de vakmanschapverantwoordelijkheid bij de adviseur.”

Eindconclusie

Door de levendige discussie, die op zich heel waardevol was, kwamen echte eindconclusies rond verbetering niet meer aan de orde. Toch was de waardering voor de bijeenkomst hoog. Met name het brede aanbod van sprekers, en de daardoor levendige discussie, leverde een compliment van de adviseurs op voor de organisator van de middag, Elseco-directeur Harmen van Steenis. Voor herhaling vatbaar!