Veiligheidskeuring van het Liftinstituut

Voor de veiligheid van alle liftpassagiers controleert de inspecteur van het Liftinstituut uw lift elke anderhalve jaar op ruim zestig punten. Waar let hij op? Een greep uit alle veiligheidschecks die hij tijdens de liftkeuring doet.

TOP 10 VAN BELANGRIJKE CONTROLEPUNTEN TIJDENS DE LIFTKEURING

Liftinstituut liftkeuring1. Controle snelheidsbegrenzing.
Overschrijdt de lift de maximumsnelheid met meer dan 15%, dan moet de snelheidsbegrenzer de vang in werking stellen. De inspecteur checkt de werking. 

2. Controle vanginstallatie.
De vang is het belangrijkste veiligheidssysteem. Breken de draagkabels, dan moet de lift vol remmen. De vertraging mag niet meer dan 1G bedragen.

3. Controle draagkabels.
Het maximaal toegestane aantal breuken per kabeldeel (100 tot 150 mm) is 5 per streng en 15 per slag. De kabelspanning mag onderling niet verschillen. 

4. Inspectie tegengewicht.
Het tegengewicht is meestal 50% zwaarder dan de liftkooi. Met een gewicht tot wel 1800 kg mag het nooit uit de geleiding lopen.

5. Controle deurvergrendeling.
De lift mag alleen rijden als de schachtdeuren gesloten en vergrendeld zijn. De minimale grendelafstand is 7 mm. 

6. Controle knelbeveiliging.
Sluiten de liftdeuren tijdens het instappen, dan moet de beveiliging ervoor zorgen dat ze meteen weer opengaan.

7. Controle stopverschil.
20% van alle liftongelukken wordt veroorzaakt door liften die niet gelijk met de verdieping stoppen. Het hoogteverschil mag maximaal 10 mm zijn.

8. Controle intercom.
Wie opgesloten raakt, moet hulp kunnen inschakelen. De inspecteur controleert tijdens de keuring of de intercom functioneert. 

9. Controle noodverlichting.
Valt de stroom uit, dan moet de noodverlichting aangaan. Zo kunnen de passagiers de intercom of alarmknop vinden.

10. Controle veiligheidscircuit.
Een lift mag alleen rijden als alle veiligheidscontacten gesloten zijn. Is dat elektrisch correct gerealiseerd? Zijn de contacten veiligheidscontacten?