Periodieke liftkeuring

Voor het vervoer van personen en goederen zijn liften onmisbaar. Hoewel liftgebruikers vooral het gebruiksgemak ervaren, is de veiligheid van deze liftinstallaties voor hen net zo belangrijk. Daarom laten gebouweigenaren en -beheerders hun liften periodiek keuren door Liftinstituut, autoriteit in liftveiligheid. Dat doen zij niet alleen omdat de periodieke liftkeuring verplicht is en hoort bij ‘goed huisvaderschap’, maar juist ook om calamiteiten, negatieve publiciteit en financiële risico’s te voorkomen.

Een objectief oordeel, schriftelijk vastgelegd

Liftinstituut keurt en certificeert objectief en onafhankelijk. Deskundige inspecteurs verrichten de periodieke liftkeuring op basis van de wettelijke eisen in het Warenwetbesluit liften. Is uw lift goedgekeurd? Dan brengt de inspecteur het bekende Liftinstituut-keurmerk aan. Daarmee laat u aan alle liftgebruikers zien dat u alles in het werk stelt om de veiligheid te waarborgen. Het Certificaat van Goedkeuring wordt u direct na de keuring toegestuurd, tezamen met een overzichtelijke, schriftelijke rapportage.

Waar let de liftinspecteur op tijdens de periodieke liftkeuring?

Voor de veiligheid van alle liftpassagiers controleert de inspecteur van Liftinstituut uw lift elke anderhalve jaar op ruim zestig punten. Waar let hij op? Een greep uit alle veiligheidschecks die hij tijdens de liftkeuring doet.

1. Controle snelheidsbegrenzing.
Overschrijdt de lift de maximumsnelheid met meer dan 15%, dan moet de snelheidsbegrenzer de vang in werking stellen. De inspecteur checkt de werking.

2. Controle vanginstallatie.
De vang is het belangrijkste veiligheidssysteem. Breken de draagkabels, dan moet de lift vol remmen. De vertraging mag niet meer dan 1G bedragen.

3. Controle draagkabels.
Het maximaal toegestane aantal breuken per kabeldeel (100 tot 150 mm) is 5 per streng en 15 per slag. De kabelspanning mag onderling niet verschillen.

4. Inspectie tegengewicht.
Het tegengewicht is meestal 50% zwaarder dan de liftkooi. Met een gewicht tot wel 1800 kg mag het nooit uit de geleiding lopen.

5. Controle deurvergrendeling.
De lift mag alleen rijden als de schachtdeuren gesloten en vergrendeld zijn. De minimale grendelafstand is 7 mm.

6. Controle knelbeveiliging.
Sluiten de liftdeuren tijdens het instappen, dan moet de beveiliging ervoor zorgen dat ze meteen weer opengaan.

7. Controle stopverschil.
20% van alle liftongelukken wordt veroorzaakt door liften die niet gelijk met de verdieping stoppen. Het hoogteverschil mag maximaal 10 mm zijn.

8. Controle intercom.
Wie opgesloten raakt, moet hulp kunnen inschakelen. De inspecteur controleert tijdens de keuring of de intercom functioneert.

9. Controle noodverlichting.
Valt de stroom uit, dan moet de noodverlichting aangaan. Zo kunnen de passagiers de intercom of alarmknop vinden.

10. Controle veiligheidscircuit.
Een lift mag alleen rijden als alle veiligheidscontacten gesloten zijn. Is dat elektrisch correct gerealiseerd? Zijn de contacten veiligheidscontacten?

Neem vandaag nog contact op met onze afdeling Customer Service via 020 – 435 06 06

Stuurt u liever een mail? Dat kan ook via: verkoopbinnendienst@­liftinstituut.nl.